Vakantiebuurvrouw

Vanachter mijn boek houd ik de vakantiebuurvrouw onopvallend in de gaten terwijl zij bezig is in haar tuin. We hebben elkaar nog niet gegroet. Ik ontwijk haar blik totdat ik mijn mentale logboek heb voltooid met observaties en derivaties. Pas als ik mijn positie op mijn vakantieadres heb bepaald zal ik mijzelf aan haar voorstellen. Ik heb al heel wat notities gemaakt.

O#1: de buurvrouw is truttig en degelijk gezien de inrichting van haar tuin en huisje.

D#1: naast truttig komt mijn stijlvolle, tikkeltje eigenzinnige karakter mooi naar voren.

O#2: de buurvrouw is rustig, op zichzelf.

D#2: dat geeft mij de ruimte om lekker wild en vrij te doen, gezellig met mijn lief en de baby. Lachen, dansen, hoe levenslustig!

O#3: haar auto is degelijk en duur. Dat betekent dat de vakantiebuurvrouw erg gesteld is op comfort en spullen. Dat heeft een naam: materialistisch.

D#: en zie onze auto dan; afkomstig uit de vorige eeuw, overal zie je kleine deukjes en de metallic lak bladdert van de handgrepen. Nee, wij geven niet zo om dingen die vergankelijk zijn.

Het wordt avond en nog steeds hebben we niet gegroet. Maar ik weet tenminste dat ik niets te vrezen heb als het zo ver is. Tevreden stap ik in bed en luisterend naar de nachtelijke bosgeluiden val ik in een diepe slaap. Maar die is helaas van zeer korte duur. Tot vier keer aan toe word ik gewekt door onze baby die ik met geen mogelijkheid weer terug in slaap krijg. Meer dan twee uur slaap krijg ik niet.

Om half zeven zie ik de zon alweer opkomen boven de heide. Voor het eerst in tien uur stopt de baby met huilen en leg ik haar op bed. Geradbraakt pak ik een cracker uit de kast. Ik heb er gewoon de energie niet voor om de afbakbroodjes die we speciaal voor dit weekend hebben gekocht, in de oven te doen. Aan mijn gehemelte plakken droge kruimels die ik wegspoel met een kop sterke koffie. Met toegeknepen ogen stap ik de zonovergoten veranda op, de ochtend is genadeloos voor mijn vermoeide ogen.

‘Goedemorgen!’ hoor ik plots achter mij. Ik schrik op en voor het eerst zie ik de vriendelijke ogen van mijn vakantiebuurvrouw terwijl ze staat op de grens van haar tuin en die van ons. Oh nee, bid ik, niet nu, niet vanmorgen, alsjeblieft niet!

Niet nu ik mijn pyjama nog aan heb.  

Niet nu ik wallen heb onder mijn ogen.

Niet nu ik geen bh draag.

Niet nu ik geen zonnebril op heb.

Niet nu ik nog niet ben gedoucht.

Niet nu ik mijn lippen nog niet heb gestift.

Niet… nu ik me zo ellendig voel…

‘Jullie hebben er lekker weer bij!’ De vakantiebuurvrouw wijst levenslustig naar de blauwe lucht. Haar handen zitten onder de zwarte aarde.  

‘Ja mooi. Maar we gaan morgen weer weg’, stamel ik, kijkend naar de houten planken onder mijn voeten. Waar komt dat mens dan ook zo snel vandaan?

‘Wat een korte vakantie!’, de vakantiebuurvouw reageert direct en spreekt luid, daar is niets rustigs aan. Dat strookt niet met mijn observatie van gisteren.

‘Het is wel fijn om straks weer thuis te zijn. Helemaal met de baby. Lekker je eigen spulletjes om je heen.’ Hoezo zeg ik dat? Ik ben toch helemaal niet aan spullen gehecht?

En dan zegt de vakantiebuurvrouw: ‘Och, met een baby van 9 maanden kan je nog zo rustig aan doen.’ En dat moet je niet zeggen tegen iemand met een baby van 9 maanden die niet slaapt.

‘Nou, rustig aan doen is er niet bij hoor!’, zeg ik geërgerd. Ik ben gaan staan en stamp met mijn voet op het hout. Geschrokken van mijn eigen reactie toon ik haar ter compensatie iets wat een gulle glimlach moet voorstellen. Ik moet er wel heel wanhopig uitzien. Maar wat wil je ook denk ik, is ze soms vergeten hoe moe je als jonge moeder bent en hoe je het hele jaar door nooit maar dan ook nóóit je eigen gedachten kunt afmaken? En we hebben nóg drie kinderen hé, dus aanklooien zit-er-niet-bij! En vertel mij niet dat je nu nóg kunt lanterfanten, want dat weet ik!

Ik denk het allemaal en ik hoop de buurvrouw me nú heel snel met rust laat.

‘Hallo? Gaat het wel?’ Blijkbaar is de vakantiebuurvrouw op me afgelopen. Ze tikt me zachtjes aan. Ik ontwaak uit de schijnmonoloog en ruik patchoeli en aarde. Het is net of alles om mij heen stil wordt. Haar hand rust op mijn schouder en dan merk ik dat ze in haar andere hand een jonge plant met wortel en al vasthoudt.

Mijn spieren ontspannen en ik zucht. ‘Ja het gaat, ik moet gaan’.

Ik duw haar hand van mijn schouder, maar halverwege grijp ik haar weer vast. Gedurende enkele seconden wrijf ik over haar ruwe huid. Hier en daar voel ik kleine kloofjes. De buurvrouw voelt warm aan.

‘Doei!’, zeg ik dan en laat haar hand los. Aan de grond genageld blijf ik staan terwijl de vakantiebuurvrouw uit mijn zicht verdwijnt. Wat is er zojuist gebeurd? Verward zoek ik mijn stoel weer op, ik moet even gaan zitten. Ik was zonet toch woest? Ik hoor het bijzondere geluid van een fazant en een rijdende tractor verderop in een weiland. En dan hoor ik een luid geronk vanachter het huisje van de buurvrouw en zie ik iemand op een krot van een motor zitten. Dikke rook komt uit de uitlaat en knallend rijdt het mijn richting op. Wie is dat? Ik tuur naar het gezicht in de helm. Het is de vakantiebuurvrouw. Voorovergebogen met haar besmeurde handen aan het stuur zwaait ze naar me. Haar rode motorpak zit strak om haar lichaam. Ik zwaai aarzelend terug en dan trekt ze als een gestoorde gek op. De baby is weer wakker geworden.

Afbeelding van cor gaasbeek via Pixabay

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *