Lewenborg

De kinderen uit de buurt vormen een kleurrijk gezelschap. Sommigen ruiken naar de zware shag van hun opa die bij ze inwoont, anderen hebben altijd een pas gefrituurde bakbanaan bij zich. Er zijn  kinderen die elke dag opnieuw een opgedroogde snottebel gemengd met zand onder hun neus hebben en anderen die met buitenspelen niet verder dan hun eigen voortuin komen. De een racet de hele dag met zijn crossfiets rondjes over het plein, de ander maakt op de stoep rondjes in haar rolstoel.

En ik? Ik speel met mijn beste vriendin. En als zij er niet is, dan zit ik zwijgend op de stoep. Zoals vandaag.

In de verte klinkt de bel van de Diepvriesman die elke week met diepgevroren groente, vlees en vis komt voorrijden. Over enkele minuten loopt mamma het plein op met een tas in haar ene hand en haar portemonnee in de andere. Ik probeer of mijn hak in de goot past en of ik nog een uur langer kan stil zijn.

Zwijgen kan ik goed. Het valt niemand op, want ik kan ook heel knap zeggen dat ik iets lelijk vind, of stom, of dat ik ergens geen zin in heb. Ik kan er ook nog eens heel boos bij kijken. Maar zwijgen kan ik beter. Over dat mijn armen pijn deden na mijn eerste ontmoeting met het buurmeisje in de rolstoel, of dat Wende (met de moeder met dikke billen waarvoor haar vader zich schaamde) mijn t-shirt omhoog had gedaan en alle jongetjes van het pleintje had laten kijken terwijl zij keihard in mijn tepel kneep. Zodra iets spannend wordt doe ik wat ik pappa en mamma ook altijd zie doen; stil worden, weglopen en mokkend in een hoekje gaan zitten. Dan kijk ik naar Harold die met zwarte benzinestift een rond getopte zuil en twee balletjes aan weerszijden tekent op de keet van de mannen van de plantsoendienst. En observeer ik Jelle die in zichzelf praat over vieze Chinezen en lelijke zwarten. Of  Denley die uit school langs de deuren gaat om een gulden te vragen omdat zijn vader ‘bij het Gak zit’.

De grond begint te trillen. De blauwe vrachtwagen komt voorrijden en de buurt loopt uit. Ook mamma stapt uit onze tuin. Zolang ik op de stoeprand zit en omlaag kijk naar de putdeksel als andere kinderen voorbij komen is het goed. Ik zou niet weten hoe het anders moet. Mamma stopt dozen in haar diepvriestas. Straks krijg ik vast een ijsje.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *